De jongen liep door een groot donker bos. Mistflarden dreven tussen de met mos begroeide bomen door en bedekten de grond voor zijn voeten. Hoog boven zijn hoofd vormden de boomkruinen een natuurlijk dak dat het licht filterde waardoor er zich een haast onwerkelijke lichtschakering voor zijn ogen afspeelde. De kleuren van zijn omgeving veranderden bij elke stap van groene naar blauwachtige tinten en weer terug.
Het geknisper van de afgevallen bladeren onder zijn voeten, en het zachte inveren van het mos eronder, gaf aan dat hij van het pad was afgedwaald. Het maakte hem niet uit. Langzaam maar doelgericht liep hij door. Hij streek met zijn handen langs de kale takken van de struiken en bekeek de adem die vanuit zijn warme longen voor zijn gezicht in kleine wolkjes uiteendreef. Tussen de paddestoelen doorlaverend zocht hij met een glimlach de grond af naar kabouters.
Na een tijdje kwam hij bij een open plek in het bos. Het was niet zo groot, hooguit tien bij vijftien meter. In het midden stond een grote oude hulst, met zijn stekelbladeren en rode bessen. De jongen haalde de meegenomen schaar uit zijn jaszak, en knipte een paar takjes af, zorgvuldig ervoor zorgend dat er een paar mooie bessen aan de takjes zaten. Zo, dit was precies wat moeder wilde hebben, hiermee zou ze de kerstversiering afmaken voor op tafel. Nu zou kerst echt compleet zijn.
Hij snoof de lucht op en genoot van de geur van het bos. De geur van de bomen, de struiken en de begroeiing op de grond. De geluiden van de dieren om zich heen. Ook in deze koude wintermaanden kon je de vogels horen die op zoek waren naar eten, en het geritsel van de kleinere dieren op de grond. In de verste klopte een specht tegen een oude dode boom op zoek naar insecten. Toen draaide hij zich om en ging weer op weg naar huis, met de takjes hulst in zijn hand.
Toen hij bijna thuis was bleef hij nog even staan. Zijn vader haalde net een aantal houtblokken voor de open haard uit de opslag achter het huis. Hij zag zijn moeder door het keukenraam bezig met de laatste voorbereidingen voor het eten. Ze deden niet aan overdreven eetfestijnen, maar gezellig samenzijn is pas compleet als er lekker gegeten wordt. Althans, dat zei zijn moeder altijd.
Hij voelde zich warm worden van binnen. Toen hij binnen kwam gaf hij zijn moeder een kus op de wang. Terwijl ze hem verbaasd nakeek legde hij de takjes hulst op tafel en ging in de woonkamer zitten. De geur van het bos vervaagde langzaam en werd vervangen door die van gezelligheid en de open haard.