Nederlandse gezegdes
A – B – D- E – G – H – I – K – L – M – N – O – P[ – R – S – T – U – V – W – Z
A
Achter het net vissen
Alle gekheid op een stokje
Als een kip zonder kop
Als een olifant in de porseleinkast
Als een nachtkaars uitgaan
Als hadden geweest is, is hebben te laat.
Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen.
Als puntje bij paaltje komt
Appels met peren vergelijken
Als een slak op een teerton.
Aan de touwtjes trekken.
Aan het korste eind trekken
Alle hens aan dek
Alle wegen leiden naar Rome
Als bij toverslag
Als een furie tekeergaan
Als het puntje bij het paaltje komt
Als het schip lek is, gaan de ratten van boord
Als paddestoelen uit de grond schieten
Als proefkonijn dienen
B
Boter bij de vis.
Bij de pakken neerzitten.
D
Dat is een waarheid als een koe
Dat slaat als een tang op een varken
Dat slaat als een knots op een kangoeroe
Dat staat als een paal boven water
De aap komt uit de mouw
De hand in eigen boezem steken
De hond in de pot vinden.
De kat op het spek binden
De kat uit de boom kijken
De puntjes op de i zetten
De vinger aan de pols houden
De schapen van de bokken scheiden
Door de bomen het bos niet meer zien
E
Een doekje voor het bloeden
Een kat in de zak kopen
Een klap van de molen hebben
Een lange neus maken
Een lange arm hebben
Een lans breken voor iemand.
Een oogje in het zeil houden
Een open deur intrappen.
Een steekje laten vallen.
Een uiltje knappen.
Een vlag op een modderschuit.
Eieren voor je geld kiezen.
Er als de kippen bij zijn.
Er is geen chocola van te maken.
Ergens haring of kuit van willen hebben.
Er met de pet naar gooien.
Er met de pet niet bijkunnen.
Er geen doekjes om winden.
Er zit bij hem een steekje los.
G
Geen hoge pet op hebben van iemand.
Gooi het maar in mijn pet, dan zoek ik het morgen wel uit.
H
Haast je langzaam.
Het aan zijn water voelen.
Het in Keulen horen donderen.
Het kind met het badwater weggooien.
Het nakijken hebben.
Het onderste uit de kan willen.
Het op de klompen aanvoelen.
Het paard achter de wagen spannen.
Het regent pijpestelen.
Het ijzer smeden als het heet is.
Het zwarte schaap van de familie.
Het zijn twee handen op een buik
Hij heeft de klok wel horen luiden maar weet niet waar de klepel hangt.
Hij kijkt of hij zijn laatste oortje heeft versnoept
Hij voelt zich als een kat in een vreemd pakhuis.
Hoge nood hebben
I
Iemand de hand boven het hoofd houden
Iemand de handschoen toewerpen.
Iemand een hart onder de riem steken (ook: Iemand een riem onder het hart steken)
Iemand iets op de mouw spelden
Iemand in het harnas jagen.
Iemands rechterhand zijn
Iemand om zijn/haar vinger winden
Iemand op het goede spoor zetten.
Iemand van het kastje naar de muur sturen
Iemand uit het zadel werpen.
Iemand uit het zadel lichten.
Iets in zijn schild voeren.
Iets op je lever hebben.
In de aap gelogeerd zijn.
K
Knollen/Appelen voor citroenen verkopen.
L
Lood om oud ijzer.
Lange vingers hebben
Lange tenen hebben
M
Met andermans veren pronken.
Met de deur in huis vallen.
Met de Franse slag.
Met de handen in het haar zitten.
Met de kippen op stok gaan
Met de mond vol tanden staan.
Met de pet rondgaan.
Met een kanon op een mug schieten.
Met molentjes lopen
Met open vizier strijden.
Met twee monden praten
Met zijn neus in de boter vallen
Mosterd na de maaltijd.
N
Nattevingerwerk./Met de natte vinger
O
Om de haverklap
Onbeslagen ten ijs komen
Op alle slakken zout leggen.
Op de koop toe nemen.
Op de neus kijken.
Op een oude fiets moet je het leren
Over koetjes en kalfjes praten
Over lijken gaan.
Oude koeien uit de sloot halen
P
Parels voor de zwijnen gooien
R
Rustig aan, dan breekt het lijntje niet
S
Spijkers op laag water zoeken.
Spijkers met koppen slaan
Stevig in het zadel zitten.
Storm in een glas water.
T
Te veel hooi op de vork nemen
Twee linkerhanden hebben.
Tot het gaatje gaan
V
Van de hoed en de rand weten
Van de ratten besnuffeld zijn
Van de regen in de drop
Van een mug een olifant maken.
Van zijn hart geen moordkuil maken.
Voor de kat zijn viool iets hebben gedaan.
Voor een appel en een ei iets hebben gekocht/verkocht
Voor galg en rad opgroeien
Voor spek en bonen mee doen.
W
Wat heb ik nou aan mijn fiets hangen?
Water bij de wijn doen.
Water naar de zee dragen.
Weten waar Abraham de mosterd haalt.
Waar rook is is vuur
Z
Zich een hoedje schrikken
Zijn eigen boontjes wel kunnen doppen
Zijn sporen verdienen.